vrijdag 4 december 2009

De beperkte communicatieve eigenschappen van een tandarts



In de straat woont mijn tandarts. Altijd handig zo'n man in de buurt. In tegenstelling tot mijn kinderen vind ik hem een vriendelijke kerel. Vorig jaar gaf hij me een wortelkanaalbehandeling. Hij plaatste een wijde trechter in mijn mond met onderin een gaatje waar de te behandelen tand doorheen stak.
'Zo' vroeg hij vervolgens. 'Gisteravond Pauw en Witteman gezien? Wat vind jij nou van die hele toestand?'
'Urgh, bmlw' antwoordde ik, maar zelfs dat hoorde hij niet, want het pompje dat mijn speeksel wegzoog sloeg aan.
'Aha' zei hij 'ja, ja, dat is een heel nieuw standpunt, interessant hoor. Ik zal je zeggen wat ik er van vind'. Er volgde een monoloog van een kwartier, de inhoud ben ik even kwijt.

Vandaag rijd ik langs zijn huis en ik zie hem in de middenberm staan in zijn tandartswitte pak. Hij laat zijn hond uit, een braaf beest met zulke lange oren dat het wel iets van een konijn wegheeft. Ik stop.
'Laat dat beest eens fatsoenlijk uit' zeg ik 'drie keer per dag naar het bos, ja!. En waar nu jouw hond poept spelen straks mijn kinderen'.
Hij kijkt me even aan en roept zijn hond. 'Tarzan, Kill!' roept hij en hij wijst me aan. Tarzan spreidt zijn poten en doet een plas.
'Hij luistert slecht' merk ik op.
'Ik zal hem eens een wortelkanaalbehandeling geven' zegt de tandarts 'dat wil nog wel eens helpen'.

2 opmerkingen: